UA-35946176-3
1921
 

Stralenbehandeling Baarmoederhalskanker 1915-1920

1921 Raamsdonk diss fig kl.jpg 

In het proefschrift van de radiologe Catharina van Raamsdonk uit 1921 [19] wordt op pp 31-36 de baarmoederhals bestraling in het AvL beschreven. Zij beschrijft de ontwikkeling van deze stralenbehandeling in de periode 1915 tot 1920.

De eerste patiënten worden in 1915 alleen met radium bestraald. Er is daarvoor 100 mgr radiumbromide beschikbaar. Dit is verdeeld over 5 messing buisjes met een wanddikte van 0,5 mm. De buisjes worden op een plankje gerangschikt of tot een bundeltje samengevoegd, in rubber verpakt en in de vagina tegen de tumor gelegd. De straling wordt aldus gefilterd door 0,5 mm messing en 2 mm rubber. De applicatietijd was 12 uur per keer. Meestal werd 2 x 12 uur bestraald met enige dagen daar tussen. Na 3 á 4 weken werd deze behandeling herhaald. Spoedig na de applicatie namen de klachten af en stopte de bloeding. De patiënten kwamen echter terug met pijnklachten die ontstonden door infiltratie van het parametrium. De radiumstraling kwam niet diep genoeg. De oplossing werd gezocht in het verwijderen van zoveel mogelijk tumor weefsel door excochleatie (uitlepelen van wondweefsel) en door behandeling met chloorzink. Daarna kon het  radium dieper in de vagina worden gebracht.

 Later werd radium bestraling gecombineerd met röntgenbestraling van de buik, gericht op de baarmoeder en omgeving. De straling moest zo hard mogelijk zijn en de hoogspanning werd maximaal ingesteld op 140 kV bij 3 mA. De focus-huid afstand bedroeg 18 cm en als filter werd 5 mm Al. en 5 mm leer gebruikt. Het leer diende om de verstrooide, zachte straling uit het Al filter te verzwakken. De dosis werd gemeten met een Holzknecht meter en bedroeg ca. 16H *). Deze techniek werd daarna uitgebreid tot een kruisvuurbestraling met sacrale bestralingen naast de abdominale en vaginale bestralingen. Ook wordt het Aluminiumfilter vervangen door 0,5mm zink. Er wordt een grotere dieptedosis bereikt dan alleen  met radium mogelijk was.

 Om het radium in de tumorholte beter te fixeren werd een vaginale moulage gemaakt van een thermoplastisch materiaal. Dit werd in heet water zacht gemaakt en daarna gevormd in de vagina. Het radium ligt bijna onbewegelijk in de holte en wordt door de moulage op afstand gehouden van het gezonde weefsel van blaas, vagina en rectum.

 Na het in gebruik nemen van betere röntgenbestralingstoestellen wordt in 1919 zoveel mogelijk overgegaan op behandeling met alleen röntgenstraling. De spanning bedraagt 170 kV bij 2 mA. Focus huid afstand is 20 cm. Het filter bestaat uit 0,5 mm zink en leer.

Voor een uitgebreide beschrijving van de ontwikkeling van de bestralingstechniek op de baarmoedermond wordt verwezen naar het proefschrift van Catharina van Raamsdonk.

Bronnen & Publicaties

  • [19] “Resultaten van Stralenbehandeling bij Carcinoma Uteri”. Door Catharina van Raamsdonk. Academisch Proefschrift. Universiteit van Amsterdam, 30 november 1921. Archieflocatie Bibliotheek NKI-AVL SBnr.0301. ,