UA-35946176-3
1914
 

Meting van de Stralingsdosis

Kienbock Quantimeter application 1918 klein.jpg 

De Quantimeter van Dr. Kienböck 

De stralenopbrengst van de ionenbuis in 1914 is laag doordat de stroomsterkte beperkt blijft tot ca 3 mA en een Al filter van 5mm wordt gebruikt. De  bestralingen duren ongeveer een half uur voor een afgifte van 250 r (r is de eenheid Röntgen, zie hieronder). Voor de dosering is de bestralingstijd echter geen betrouwbare maatstaf omdat tijdens de langdurige bestraling  ondanks de gasregeling een verloop optreedt van de intensiteit en de kwaliteit van de röntgenstraling.

De stralingsdosimetrie staat in 1914 nog in de kinderschoenen. Ionisatiemetingen zijn nog onbekend in de Radiologie en het zal tot 1928 duren voor het concept van de eenheid Röntgen, de "r" wordt ingevoerd als basis voor stralingsdosimetrie. Voor een schatting van de afgegeven dosis zijn in 1914 chemische en fotografische in vivo meetsystemen ter beschikking, die een indicatie geven van de afgegeven dosis als percentage van de huid tolerantiedosis.

In de praktijk wordt het voortschrijdende effect van een serie bestralingen vooral bewaakt door te letten op biologische veranderingen van het bestraalde weefsel. Met name het erytheem, of rood worden van de huid is een belangrijke indicator.  Maar de arts is dus niet helemaal afhankelijk van waarneming van erytheem. Dr Gaarenstroom gebruikt aanvankelijk naast elkaar het Quantimeter systeem van de  arts Kienböck en de Chromoradiometer van de arts Holzknecht, beiden uit de Weense school. [6]  Enkele maanden later worden in de stralenkaarten alleen de metingen met de chromoradiometer bijgehouden.

In de Quantimeter worden strookjes fotografisch papier (zilver bromide)  meebestraald. De zwarting  wordt vergeleken met een standaard zwartingsschaal die geijkt is in oplopende grijswaarden in stappen van Kienböck's eenheid, de "X".  Bij het toepassen van ongefilterde röntgenstraling wordt aangenomen dat de dosis waarbij haaruitval optreed wordt bereikt bij een meting van 10X, ongeveer overeenkomend met een meting van 5H, zie hieronder. Bij sterk gefilterde straling geldt deze verhouding niet meer, Gaarenstroom moest zijn dosimeters daarom zelf in de praktijk ijken.  

Kienbock readout.JPG

 

In de Chromoradiometer van Dr. Guido Holzknecht wordt een schijf kaliumzout meebestraald. De schijf is helder geel en wordt donkerder naarmate meer straling wordt geabsorbeerd. De belichte schijf wordt vergeleken met een standaardreeks geeltinten. Opeenvolgende tinten zijn genummerd als veelvoud van de eenheid "H"  .  1H is de dosis waarbij verkleuring net zichtbaar is, en komt ongeveer overeen met 1/3 van de dosis waarbij erytheem gaat optreden : 

Holzknecht Chromoradiometer.bmp.jpg

 

De nauwkeurigheid van de Quantimeter en de Chromoradiometer was laag. De verkleuring van pastille of papierstrook is energieafhankelijk, en gevoelig voor de omgevingstemperatuur en luchtvochtigheid.  In metingen in 1932  wordt de gevoeligheid van de in vivo dosimeters van Holzknecht, Kienböck en Sabouraud vergeleken met het biologisch effect en met de sinds 1928 gebruikte nieuwe eenheid, de röntgen (r). 

1932 comp dosi methods klein.jpg

Bij een buisspanning van 170kV is er een groot verschil in gevoeligheid van de oude in vivo methoden tussen ongefilterde en gefilterde straling. Dit zal ook het geval geweest zijn voor de bundel van ca 100 kV in 1914. 

Frans Gaarenstroom stelt in de praktijk vast dat hij bij bestraling op de huid niet verder kan gaan dan 20 bestralingen van 6,5 "X" op de schaal van Kienböck. Dat is 130 "X" terwijl onder dezelfde condities men in Berlijn 300 tot 400 "X" zegt te geven voordat er grote huidschade ontstaat. De les is dat ervaringen elders niet eenvoudig kunnen worden nagevolgd. De lokale apparatuur en controlemiddelen moeten eerst zorgvuldig worden onderzocht op werkzaamheid en Gaarenstroom ontwikkelt in 1914 eigen standaarden voor de dosis-effect verwachting.